Onder de hoed vandaan

onder de hoed vandaan

onder de hoed vandaan

De titel van dit boek, Onder de hoed vandaan’, laat zich het simpelst verklaren uit de uitdrukking ‘Onder de hoed vandaan toveren’, iets moois en verrassends laten zien wat tot dan toe niet bestond of verborgen was. Het accent ligt dan op het scheppend vermogen van de kunstenaar,die iets tevoorschijn kan’toveren’. Zijn creatieve geest-onder die tovenaarshoed-is de bron waaruit de droom,de vondst,het beeld voorkomt

Maar er is ook een andere verklaring mogelijk. Ik denk daarbij aan enkele regels uit het laatmiddeleeuwse Oberufer kerstspel. Een van de herders zegt daarin,als hij in de velden van Efratha de lichtende engelen ontwaart:

Sowaer,tis wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
myn hoet vandaen,ofc speur so felle ligt,
wat schynt gints voor een droomgesigt?

Hier is het beeld geheel tegengesteld: het droomgezicht komt niet van binnenuit, maar van buitenaf,en het kan zo’n overrompelende uitwerking hebben dat de hoed met zijn beschermende rand nodig is om de ogen aan het felle licht te laten wennen. Maar als dit is gebeurd,als men zich openstelt voor het licht en in staat is[droom]gezichten te zien,is de hoed overbodig geworden en kan men er onder vandaan komen.De uitdrukking ‘Onder de hoed vandaan’ krijgt dan ook de betekenis van ‘uit je schulp kruipen’, de moed hebben om jezelf te zijn en jezelf op het spel te zetten.

Beide verklaringen van de uitdrukking ‘onder de hoed vandaan’ zijn van toepassing op het werk van Lydia Bakker [Amsterdam, 1950],dat in dit boek is opgenomen.
Reeds als kind gaf ze blijk van een artistieke aanleg die zij goeddeels op eigen kracht heeft ontwikkeld. Hoewel zij als moeder van drie kinderen en als lerares in het basisonderwijs een druk leven leidde,is zij altijd blijven tekenen en schilderen. Ze illustreerde het tijdschrift Jonas en diverse boekuitgaven van de Stichting Leerplan Ontwikkeling. Ook gaf ze les in tekenen en schilderen aan groepen kinderen en volwassenen.

Het zag er naar uit dat zij een evenwicht had gevonden tussen werk,kunst en gezin,waarbij haar sociale inslag en creatieve aanleg beiden tot hun recht konden komen. AAn het eind van de jaren negentig werd de rust echter ruw verstoord,toen haar huwelijk na 27 jaar strandde. Maar de grootste schok kwam op 3 augustus 1998,toen haar dochter Roos op 26-jarige leeftijd op de A-6 bij Joigny in Frankrijk verongelukte. Beide gebeurtenissen hebben haar leven ingrijpend beïnvloed.
Na de aanvankelijke ontreddering volgde een tijd van vallen en opstaan,die haar persoonlijk en artistiek uiteindelijk verder heeft gebracht. Van meet af aan heeft zij daarbij steun gevonden in de schilderkunst en de muziek. ‘Door te zingen en te schilderen heb ik mezelf heel gehouden’,zegt ze zelf,en ze verwijst dan naar het beroemde lied van Franz von Schober,’An die Musik’,op muziek gezet door Franz Schubert, dat begint met de strofe

Du holde Kunst,inwieviel grauen Stunden,
Wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt,
Hast du mein Hertz zu warmer Lieb’entzunden,
Hast mich in eine bessre Welt entruckt.

Door te zingen en te schilderen kun je een’betere wereld’creeren,waarin anders dan in het echte leven de harmonie overheerst. Voor Lydia was dat geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een poging om het onheil dat haar trof te bezweren en het geloof in het leven in stand te houden. Hoe religieus deze benadering in wezen is blijkt uit de toelichting die zij geeft op haar portretten:
‘Sommige portretten krijgen de waarde van een icoon,een aanwezigheid. Ze geven uitdrukking aan het verlangen naar eeuwigheid, naar een niet te vernietigen beeld dat volmaaktheid bezit. Ze zijn onbedorven en idyllisch. Vaak gebruik ik herinneringen, dromen of laat ik me leiden en inspireren door muziek.Nergens wordt mijn werk cynisch. Integendeel. Het toont juist vertrouwen in geloof en hoop,ook wanneer de werkelijkheid dit lijkt tegen te spreken.’

Hoe romantisch of religieus dit uitgangspunt ook is,haar schilderijen zijn altijd realistisch en figuratief,en vinden hun oorsprong in haar ervaringen en belevenissen. Toch ontbreekt de symboliek niet en laat haar werk’ruimte voor wat je niet concreet kunt zien, wat zich tussen het waarneembare afspeelt’. Een van de meest geslaagde vormen die zij daarvoor heeft gevonden is de ‘biografie in beelden’,een stilleven van persoonlijke voorwerpen dat in een kistje wordt afgebeeld en zo een levensverhaal weergeeft binnen de grenzen van de tijd.

Als kunstenaar is Lydia Bakker de laatste jaren herkenbaar uit de verf gekomen en is zij in staat verrassende dingen onder haar hoed vandaan te toveren. Deze ontwikkeling zou niet mogelijk zijn geweest, als zij zelf niet onder de druk van de omstandigheden gedwongen was geweest uit haar schulp te kruipen en haar leven in eigen handen te nemen. Dit laatste is haar-‘wonder boven wonder’- gelukt zonder de ontvankelijkheid en sensitiviteit kwijt te raken die onmisbaar zijn voor elke kunstenaar,wil hij zich de vraag blijven stellen: Wat schynt gints voor een droomgesigt?’

Jan de Bruijn